Startpagina
Stratenplan
Bestuur
Gemeentediensten
Praktisch
Aktiviteitenkalender
Jeugd
Senioren
Sport
Onderwijs
Cultuur
Afval
OCMW
Bibliotheken
Middenstand
Verenigingen
Archieven
E-loket

© Cronos nv

T O E R I S M E. - Onze gemeente (uit het boek "Sprokkels")

De Romeinse bezetting
In de eerste helft van de eerste eeuw vóór Christus trokken de Romeinse legioenen op veroveringstocht door half Europa. Ook onze gewesten vielen in hun handen  haarspeld en andere sporen van Romeinse bezettingen het is dan ook niet verwonderlijk dat de wortels van Nijlen tot zo diep in de geschiedenis teruggaan. Bewijzen hiervan werden in 1770 ergens in Nijlen (de exacte plaats is niet nader bepaald) teruggevonden onder de vorm van een aardepot met gouden munten met afbeeldingen van Romeinse keizers zoals Julius Caesar, Tiberius, Agrippina, Nero, Vespasianus en Domitianus. Sommige bronnen gewagen over een Romeinse heirweg op het grondgebied van Nijlen. De naam Kessel zou overigens afgeleid zijn van de term 'castellum', wat bolwerk of kleine verschansing betekent.

De naam Nijlen
Reeds zeer vroeg bezat de abdij van Tongerlo vele gronden in Nijlen en ook de Norbertijnen hadden hier een rechtsgebied. De plaatsnaam Nijlen vinden we voor de eerste keer terug in een bulle, gedateerd op maart 1145, waarin Eugenius III Hendrik, abt van de abdij van Tongerlo, het bezit van een aantal goederen, waaronder het ganse vrijgoed "Nile", bevestigt. En zo treden de Nijlense zandboeren wellicht voor de eerste keer de geschiedenis binnen. In 1286 doen ze dat opnieuw, als ingezetenen van de bijvang van Lier (later meer hierover) deelnamen aan de slag van Woeringen op 17 juli. Zij strijden aan de zijde van hertog Jan I van Brabant, die een overwinning behaalt op de Limburgers. De Nijlenaars houden er twee dingen aan over: de Woeringenstraat en vooral het mooie wapenschild met de 4 leeuwen.

De Bijvang van Lier
Vanaf 1212 en tot aan de Franse revolutie behoorde Nijlen, samen met Bevel, Kessel, Emblem en de gehuchten Mijle, Lachenen en Hagenbroeck tot de zogeheten "bijvang van Lier" . Het is dan ook logisch dat we voor een groot gedeelte over de paden en de geschiedenis van Lier lopen, als we door de geschiedenis van Nijlen wandelen. Naast de bijvang was er nog "De Kuip", bestaande uit het eigenlijke stadscentrum van Lier en enkele woonwijken net buiten het centrum. De Bijvang werd bestuurd door een bijzonder schepencollege, met telkens één schepen uit Nijlen, Kessel en Bevel. Ook de andere delen van de Bijvang hadden elk één schepen. Ook Nijlen bleef in de Middelleeuwen niet gespaard van zijn portie miserie. In 1439 heerste er pest in het dorp en tussen 1579 en 1585 werd Nijlen achtereenvolgens door de Spaanse en de Nederlandse legers tot puin herleid. Maar er waren ook vrolijkere gebeurtenissen. Van 1300 tot 1500 wordt in Kessel de huidige dorpskerk gebouwd. Merkwaardig hieraan is, dat tijdens de hele bouwperiode de oorspronkelijke stijl, de gotiek, gerespecteerd werd. Vandaar haar eretitel 'de Lentebloesem van de Brabantse gotiek'. De kerk wordt terecht beschouw als één van de mooiste van de Kempen. In 1792 vielen de Franse legers ons land binnen en hakten in de slag van Fleurus de Oostenrijkers in de pan. Nijlen behoorde voortaan tot het "département des deux Nèthes". Nijlen, Kessel en Bevel, die vroeger onder de jurisdictie van Lier vielen, werden bij decreet van 31 augustus 1795 bij het kanton Berlaar gevoegd. Maar de opstand tegen de Franse bezetter groeide en toen bij wet van 5 september 1978 al de ongehuwde mannen van 20 tot 25 jaar onder de wapens werden geroepen om de Republiek te verdedigen, was de maat vol. De Boerenkrijg barste los en ook in onze dorpen kwamen vrijwilligers op om te vechten 'voor outer en voor heerd' (voor altaar en voor haard). De strijd was ongelijk en eindigde in een nederlaag voor de boeren. Eind 1798 vielen ongeveer 400 Franse soldaten Nijlen binnen. Tot slot vermelden we hier nog enkele belangrijke data uit de 19e eeuw. In 1856 werd de spoorweg aangelegd en in 1867 de provinciebaan Lier-Herentals. In 1895 werden de wegen naar Bevel en Herenthout aangelegd.

Diamantgemeente
In heel België en misschien ook een beetje daarbuiten staat bekend dat Nijlen en diamant onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Het begon allemaal in 1876, toen ene Jan Eduard Claes in Nijlen kwam wonen. oude foto van slijpers aan het werkHij was het die 'het steentje ' naar onze gemeente bracht en in de jaren 1885-1890 de eerste diamantslijperij met meer dan een molen bouwde. De opgang was toen niet meer te stuiten. De echte boom liet nog even op zich wachten, maar toen in 1902 de Premier-mijn in Zuid-Afrika ontdekt werd, was er geen houden meer aan en ook in Kessel en Bevel rezen de slijperijen als paddestoelen uit de grond. Maar toen brak WO I uit en de bouw van nieuwe slijperijen kwam tot stilstand, net als de hele Belgische diamantnijverheid. Maar na het beëindigen van de vijandelijkheden ging men terug intens aan het werk, met de grootste bloeiperiode tot gevolg in de jaren 1918-1930. Het grootste deel van de Nijlense jeugd wilde het steentje leren bewerken en al snel waren er molens te weinig. Met de komst van de elektriciteit in Nijlen (in 1928) gingen veel Nijlenaars de stiel in familieverband uitoefenen. Het was een tijd waarin in haast elke straat van de gemeente een kleine slijperij actief was. Wat er met de diamantnijverheid gebeurde tijdens WO I, herhaalde zich bij de tweede wereldbrand. Vanaf 1945 leek de markt onverzadigbaar en de vraag naar diamantbewerkers nam met de dag toe.Op het hoogtepunt zaten er wellicht 2200 à 2300 Nijlenaars in de stiel. In 1968 waren er 203 werkplaatsen in uitbating. Vier jaar later waren er dat slechts drie meer. De reden hiervoor is dat de terugval al in 1960 ingezet werd. De diamantnijverheid onderging langzaam maar zeker enkele veranderingen en er werden steeds hogere eisen gesteld aan het beroep. Nijlen richtte het Githo op om beter geschoolde vakmensen te vormen, maar ondermeer omwille van de concurrentie uit de lage loonlanden, was er vanaf 1970 een dalende werkgelegenheid. In 1982 waren er nog maar 62 slijperijen in werking en tien jaar later, in 1995 was dat aantal zelfs teruggelopen tot 28. Het slijpen van het steentje is dus meer en meer tot de tijd van toen gaan behoren.

De Sparrijders
Vele Nijlenaars (en dan bedoelen we hier Nijlen zelf, zonder de deelgemeenten) weten dat ze niet enkel als inwoner van een diamantgemeente door het leven gaan, maar ook de bijnaam "Sparrijders" dragen. tekening die de werkwijze van de Sparrijders weergeeftDe benaming komt van een voostelling waarbij men als baanrover op een op zijn zachtst gezegd originele manier, voorbijgangers geld afhandig maakte. De overlevering wil dat zich destijds in Nijlen een roversbende nestelde, die een afdeling zou zijn van de beruchte Bokkerijders, die onze streken onveilig maakten. Deze onverlaten vulden hun dagen met het aanranden van reizigers met nooit eerder gezien methode. Ze bonden de voeten van hun slachtoffers bijeen en hingen ze vervolgens met het hoofd naar beneden aan een dennenspar. Het geld dat ze bij hadden rolde dan uit hun zakken en de rovers hadden het maar voor het oprapen. Het kan als een omslachtige methode overkomen, maar op deze manier konden de dieven beweren niemand iets ontnomen te hebben, maar dat ze het geld enkel hadden gevonden en opgeraapt. Of men daar ook in trapte is een andere zaak, maar de Nijlenaars verdienden er wel de bijnaam Sparrijders mee.



Terug naar vorige paginaTerug - Top Terug naar vorige pagina | Sitemap - Zoeken | Webdesign by BoulevArt