Beluister HIER de voorgelezen brief.
Hedendaagse vertaling van het Nijlens dialect
Adrianus Gommarus Verwerft
Middelburg 26 mei 1811
Zeer beminde vader en moeder, zusters en broeders, ik laat jullie weten dat ik nog fris en gezond ben en ik hoop van u hetzelfde, want was het anders, dan zou het mij groot verdriet doen. Ik heb nog een brief naar huis gezonden, maar of hij terecht gekomen is, dat weet ik niet. Ik had hem geschreven om terug te schrijven, moest u daar profijt van hebben. Beminde ouders, ik ben in groot verlangen te weten hoe het daar al gaat, want u moet denken dat wij hier in een [onleesbaar door schade] zijn en wij horen daar veel zeggen, maar wij kennen de waarheid niet, maar zij zeggen dat ze last hebben van de deserteurs en gaan er oorlog voeren tegen de Rus en marauder. Ik ben uitgetrokken onder het 17de regiment, ik alleen, maar Franciscus Woutergeerts onder het 108ste. Ze zijn vertrokken, maar waar zij zullen blijven, dat weet ik niet. En Jan Van San is mee vertrokken de 26ste mei. Ik ben altijd bij vreemden. Daar zijn er geen anderen, dat ik weet, die gekleed zijn zoals van ons dorp, maar twee. Als wij daar moeten blijven dan zijn wij allemaal toch dood, zij die geen gulden hebben. Sedert dat wij daar gelegen hebben, over de 1400 man gestorven. Maar één van Nijlen, Joannes Wijnans, is gepasseerd. Ik heb voor mijn ogen gezien, als het regent, dat soldaten onder het lek van het dak, de druppels dronken van de dorst die wij moeten lijden. Een zon kan daar elke dag komen, maar hij wilt niet. Maar ik laat mij niet voorstaan dat ik nog zal zien, beminde ouders, maar ik snak ernaar u toch nog te zien. Maar deserteren, dat doe ik niet meer, want wij werden niet aanzien als mensen, maar als wolven. Men kreeg geen geld. Niets. Wij moeten maar kopen. Wij krijgen niets om te leven. Ten hoogste om te overleven. Wij hebben twee dagen geweest zonder van hun iets te krijgen. Maar als ik soldaat moet blijven, dan zou men haast zo lief dood zijn. Maar ik mis u zo dat ik deze woorden niet in acht neem. Maar, beminde ouders, dat ik nog eens bij jullie zou kunnen zijn, het zou mij veel plezier doen. Maar als jullie mijn broers thuis konden houden, dan zou het mij een groter plezier doen. Ik hoop dat het toch beter zal gaan, maar schrijf eens wanneer mijn broer mee moet loten. Als het mogelijk is dan zal ik voor hem zorgen, als ik kan. Maar het kan gebeuren dat wij al vertrokken zullen zijn, maar dan zal hij toch naar hier komen. Maar als u weder schrijft, zet er dan in hoe het daar gaat en wat nieuws dat u daar hoort. Schrijf maar. U moet niet verlegen zijn van te schrijven. Ik had het al geschreven maar schrijf niet terug voordat ik schrijf, beminde ouders. Ik verzoek mijn broer of iemand van mijn familie naar Scherpenheuvel te laten gaan om een bedevaart te doen. Dat is mijn verzoek. Alstublieft. Maar u moet niet als u daar niet content van bent, en offer dan twee schellingen aan de armen en twee aan onze Lieve Vrouw. Doe het alstublieft. Ik heb mijn Pasen kunnen houden, hetgeen mij ook plezier doet.
Hiermee sluit ik met de pen maar niet met het hart,
Jullie dienaar,
HVW (hoog welwillend)
Er staat een datum op. Ik zal er twee meegeven met de Besien. Ik heb de uwe ontvangen, Baptiste Verwerft. Ik heb het met de haast moeten schrijven. Ik hoor dat het niet goed gaat met mijn oom.
Tot Nijlen op de Bist
Aan Joannes Baptiste Verwerft
Audio
- soldaten_brief_volledig.mp34,2 Mb mp3







